Voor een optimale beleving van deze website, vragen wij u cookies te accepteren. De website zal pas cookies plaatsen wanneer u hiervoor expliciet akkoord heeft gegeven. Lees meer >

 

Opinie

‘Ook met UFR alert blijven op renterisico’

Ronald Volders, actuaris AZL

Het Septemberpakket geeft lucht voor pensioenfondsen. Voortaan mogen ze de Ultimate Forward Rate (UFR) methodiek gebruiken bij de berekening van hun verplichtingen. Dit maakt fondsen een stuk minder gevoelig voor marktschommelingen in de rente. Een reden om achterover te leunen? Nee, betoogt Ronald Volders, actuaris bij pensioenuitvoerder AZL. Risicomanagement blijft belangrijk.

‘De UFR geeft pensioenfondsen meer rust, maar mijn analyse is dat het slechts een deel van de oplossing biedt. Nu fondsen hun verplichtingen gaan vaststellen op basis van de UFR methodiek worden zij minder gevoelig voor veranderingen in de lange termijn rentes. Maar let op: de UFR methodiek is een kunstmatige constructie, met nagenoeg vastgelegde lange rentes. Anders gezegd, pensioenfondsen lopen vooral in theorie minder renterisico over uitkeringen die na 20 jaar moeten worden gedaan.

Kunstmatig
De langetermijn UFR van 4,2 procent is een kunstmatig gegeven. Fondsbestuurders doen er daarom goed aan door ook de marktrente die fondsen eerst hanteerden, te blijven volgen. Het is verstandig om beide rentes in het oog te houden. Dat is ook wat wij als actuarissen bij AZL doen: wij rapporteren maandelijks twee dekkingsgraden, die van de marktrente en die van de UFR methodiek. Het kan bijvoorbeeld best zijn dat een fonds officieel een dekkingsgraad van 102 procent heeft, op basis van de nieuwe rekenrente. Terwijl de economische dekkingsgraad 98 procent is. Op zulke renteverschillen moet je als pensioenfondsbestuurder, rekening houdend met je verplichtingen, alert zijn.’

 Adder
‘De UFR methodiek haalt de rentevotaliteit, de sterke schommelingen van de marktrentes, uit het pensioensysteem. Dat is winst. Maar het is pas één stap. Denken dat er geen renterisico meer is, is te kort door de bocht. Er schuilt bovendien nog een adder onder het pensioengras: blijven fondsen wel scherp genoeg op het vereist eigen vermogen (VEV)? Hierover moet een pensioenfonds volgens de Pensioenwet beschikken. Voor de hoogte van de pensioenpremie en bij herstelplannen speelt het VEV een centrale rol. Het VEV is na alle wijzigingen in de berekeningssystematiek van de rente nog niet aangepast. Het renterisico is een van de belangrijkste risico’s bij de vaststelling van het VEV. Kijk je hier naar, dan zie je dat de berekening nog steeds uitgaat van vaste renteschokken, ook na jaar 20. Vreemd, vind ik, als we daarnaast werken met een kunstmatige langetermijn rente.

Gevaar
Het gevaar is dat pensioenfondsen achterover leunen, nu ze door de UFR methodiek minder gevoelig zijn voor langetermijnrentes. Laten we er niet blind van uit gaan dat de lange rente uiteindelijk ook daadwerkelijk de 4,2 procent gaat bereiken. Op dit moment ligt de lange rente bijvoorbeeld een flink stuk lager. Bestuurders doen er goed aan de werkelijke economische situatie niet uit het oog verliezen. Als de forwardrente niet groeit zoals wij nu verwachten op basis van de UFR, is er straks te weinig geld in kas om de uitkeringen te betalen. Een situatie die wij zeker moeten voorkomen.

Verscherpen
Alle reden om niet alleen uit te gaan van de zonnige rentestand van de UFR, maar ook te blijven rekenen met een minder gunstig scenario. Aan fondsbestuurders de opdracht om hun risicomanagement goed tegen het licht te houden en waar nodig te verscherpen en compleet te houden. Het is verstandig om naar de economische werkelijkheid te kijken. Dat betekent kiezen voor een dekkingsgraad op basis van zuivere marktrentes, dus de swaprente. Voorop bij zo’n beslissing staat of deze aan alle deelnemers goed is uit te leggen, ook als de keuze misschien voor sommige groepen minder goed uitpakken. Dat is de vraag die ik fondsbestuurders zou willen stellen.’

De UFR geeft lucht
Het vorige kabinet presenteerde het Septemberpakket Pensioenen als belangrijke stap naar een toekomstig pensioenstelsel. Onderdeel ervan was dat De Nederlandsche Bank de zogeheten Ultimate Forward Rate (UFR) invoerde voor de berekening van pensioenverplichtingen. Voor langetermijnverplichtingen geldt voortaan een vastgestelde rente, die berekeningen minder gevoelig maakt voor schommelingen op de financiële markten. Het haalt veel onrust weg voor pensioenfondsbesturen. In de maand na de invoering van de UFR was al te zien dat dekkingsgraden toenamen.

Solvency II
Als de nieuwe Pensioenwet en het nieuwe financieel toetsingskader in 2014 hun beslag krijgen, is de UFR hier een onderdeel van. Voor zeer lange looptijden is de UFR 4,2 procent. De UFR vloeit voort uit de Solvency II-richtlijn voor verzekeraars. Het is feitelijk de som van de inflatie op de lange termijn (2 procent) en een langetermijnverwachting voor de reële korte rente (2,2 procent). Voor pensioenfondsen geldt dit: voor verplichtingen tot 20 jaar geldt de fluctuerende marktrente, voor langer lopende verplichtingen weegt de UFR naarmate de tijdshorizon verder weg ligt steeds zwaarder door. Zo komt de rente voor verplichtingen met een looptijd van 60 jaar uit op 3,3 procent.

Betrekkelijke rust
Hiermee wijkt deze rekenmethode af van de in Solvency II voorgestelde methode voor verzekeraars, waar na 20 jaar geen gebruik wordt gemaakt van marktinformatie. De UFR heeft wel een dempende werking op de koersschommelingen en lage rentes. Wat ook helpt is de eind 2011 ingevoerde rentemiddeling per drie maanden. Die blijft bestaan.
De toepassing van de UFR heeft een stabielere en hogere rentecurve tot gevolg. Dat brengt minder beweeglijke dekkingsgraden met zich mee. Het brengt betrekkelijke rust in de pensioendiscussie: pensioenfondsen hoeven zich minder te baseren op beweeglijke dagkoersen.